OORLOG EN SPORT
In de loop der jaren heeft sporthistoricus Jurryt van de Vooren regelmatig artikelen geschreven over de oorlog en sportbeoefening. Hier een bloemlezing uit die stukken.
Dit oorlogsdossier verschijnt als speciale bijlage van de site 'Uit Het Veld',
nieuwsbrief over sportgeschiedenis. Dit gratis e-zine verschijnt
belachelijk regelmatig en heeft zo'n 600 abonnees. 'Uit Het Veld' wordt
gemaakt door Jurryt van de Vooren, sporthistoricus. Lid worden kan via
jurryt@xs4all.nl onder vermelding van 'nieuwsbrief'.
HONGERWINTER IN HEERENVEEN
AJAX IN DE JAREN VEERTIG
NIEUWJAARSWENSEN
DYNAMO KIEV
BEN BRIL
OLYMPISCHE OORLOG
Voetbalsolidariteit tijdens de oorlog
HONGERWINTER IN HEERENVEEN
In de laatste chaotische maanden van de Tweede Wereldoorlog lag het gehele
leven in het Westen stil. De Friese voetbalvereniging Heerenveen nodigde
daarop 86 Amsterdamse jonge voetballers uit om naar het noorden te komen.
De spelers waren afkomstig van de toenmalige Eerste Klassers Ajax, Blauw
Wit, DWS en De Volewijckers. Een reconstructie van opmerkelijke
voetbalsolidariteit tijdens de bezettingsjaren.
De Tweede Pinksterdag van 1944, 29 mei, is het hoogtepunt uit de
geschiedenis van de Noord-Amsterdamse voetbalclub De Volewijckers. Nadat de
vereniging als eerste eindigde in de Eerste Klasse West 1 werd tegen de
vier andere afdelingskampioenen van het land gestreden om de nationale
titel. Op deze Pinksterdag speelde De Volewijckers tegen Heerenveen en een
gelijkspel was voldoende voor het kampioenschap. De belangstelling voor
deze wedstrijd was ondanks de oorlogsproblemen groot en hectische taferelen
speelden zich af om één van de 30.000 beschikbare kaartjes te bemachtigen.
Ph. K. Corstens, toenmalig bestuurslid van De Volewijckers, had de drukte
met verbazing aangezien: "Bepaalde levensmiddelen zijn moeilijk te krijgen.
De mensen gaan echter niet naar de Beemster voor zichzelf, maar louter met
de bedoeling om de daar verkregen groenten en aardappelen te ruilen voor
... kaartjes."
Voor de aftrap dromden de mensen samen bij het stadion om via
zwarthandelaren alsnog een kaartje te bemachtigen. Forse prijzen werden
betaald, maar de politie greep onverbiddelijk in en arresteerde 150
verkopers. De agenten deelden de in beslag genomen toegangsbewijzen gratis
uit aan de omstanders.
Onder de toeschouwers zaten veel ondergedoken mannen, die deportatie of
dwangarbeid trachtten te ontlopen. Eén van hen was Volewijcker Tip de Bruin
en hij weet nog precies hoe zijn entree was. "Bij de ingang van het stadion
stonden leden van de NSB en de 'Grüne Polizei' en daar moesten wij langs.
Ik liep in het midden van de massa om onopgemerkt binnen te komen. Wat
moest ik dan? Ik was blij als ik één keer in de twee weken weer even onder
de mensen was." Een uitgelaten publiek was die middag getuige van een 4-1
overwinning voor de Amsterdammers, zodat het feest kon beginnen.
DWS kwam dat jaar uit in de poule van De Volewijckers en had een vierde
plaats bereikt met 20 punten uit achttien wedstrijden. Ajax was dat jaar
niet verder gekomen dan de tweede plaats achter het Haagse VUC in de Eerste
Klasse West 2, de andere competitie in het Westen. Op 30 januari 1944 had
Ajax de Hagenezen nog wel verslagen met 8-0, maar dat gebeurde in een
dreigende sfeer. Gedurende de hele wedstrijd klonk het gedreun van
Geallieerde vliegtuigen die op weg waren naar Duitsland.
Blauw Wit speelde in dezelfde afdeling als Ajax. Het had een middelmatig
jaar achter de rug: na achttien wedstrijden had het 19 punten verzameld en
eindigde het op de zesde plaats met een iets slechter doelsaldo dan Feyenoord.
In de aanloop naar het seizoen 1944-1945 werd met optimisme vooruitgekeken.
Voorzitter Douwe Wagenaar van De Volewijckers schreef in het
kampioensnummer dat hard werd gewerkt aan de bouw van een stadion voor
16.000 mensen, een restauratiezaal en een ruimte voor indoortraining.
Sportverslaggever Kick Geudeker, tevens medewerker van het illegale Parool,
bezocht op 3 september de finale van de Amsterdamse AROL-beker en sprak met
omstanders over het tijdstip van de eerste interland in bevrijdingstijd.
"Als de tanks een beetje snel aanrijden", meende een toeschouwer, "kunnen
we misschien volgende week al tegen de Engelsen voetballen." Twee dagen
later was het 'Dolle Dinsdag' en op 7 september verbood de bezetter alle
sportaktviteiten in de open lucht. Het voetballeven boven de rivieren zou
tot het einde van de oorlog stilliggen.
De spoorwegstaking, bombardementen, gevechtshandelingen en plunderende
Duitsers legden het leven in het Westen lam. In de steden ontstond een
voedseltekort, dat dramatische omvang kreeg na het invallen van de strenge
winter. De voetballers in Amsterdam leden er zwaar onder. Henk Vocht was in
1944 een jongen van dertien jaar oud, en speelde toen twee jaar bij DWS.
"Wij hadden het thuis relatief goed, omdat we vrienden hadden op een
boerderij. Dat betekende natuurlijk niet dat we niets in de gaten hadden.
Als je iemand onderweg zag naar een begraafplaats met een klein kartonnen
doosje op zijn schouder, wist je wel wat er aan de hand was. De doden
vielen op straat."
De rampzalige berichten over de toestand in Amsterdam bereikten voetbalclub
Heerenveen, waar clubsecretaris en verzetsman Floor Féléus meteen besloot
hulp te bieden. Hij organiseerde een bijeenkomst die bezocht werd door
onder andere voorzitter Hendrik Huisman, clublid Germ Scheper en zakenman
Joop Overdiep. Wim Schotanus dreef in Heerenveen een boekhandel, werkte
voor de radio en was zijdelings betrokken bij deze gesprekken. "Ik had het
te druk met mijn werk, zodat ik niet veel heb kunnen doen. Wel wist ik wat
er gebeurde gedurende de voorbereidingen. Joop Overdiep zette bijvoorbeeld
erg veel op touw, en gebruikte zijn contacten in de zakenwereld om het een
en ander te regelen. Hij handelde veel met Amsterdammers, en dat is
waarschijnlijk de reden geweest dat de Eerste Klassers uit de hoofdstad
werden benaderd en niet uit Rotterdam of Den Haag. Het had dus niet veel te
maken met de contacten uit de voetbalwereld. Maar welke jongens het ook
waren, we deden het uit menselijke betrokkenheid."
De brieven van Heerenveen naar de Amsterdamse verenigingen zijn
hoogstwaarschijnlijk ook bezorgd via de zakenkring van Overdiep. De
invitatie bereikte uiteindelijk de Eerste Klassers en was daar een
aangename verrassing. Het DWS-bestuur schreef vol lof over het aanbod om
van elke club vijftien jongens op te vangen: "Beste mensen uit Heerenveen,
jullie hebt prachtig werk gedaan. Niet medelijdend hoofdschuddend
'gekletst' over die arme Amsterdammertjes, maar jullie hebt iets gedaan,
waarvoor wij jullie ten hoogste dankbaar zijn."
Door de slechte omstandigheden waren bij alle clubs meer dan vijftien
jongens die in aanmerking kwamen. Jan Smit van De Volewijckers werd
bijvoorbeeld gepasseerd, waar zijn sportvriend Joop van der Mast wel
meemocht. Het is vermoedelijk een loting geweest die bepaalde dat Van der
Mast meemocht en zijn vriend achterbleef. Van het DWS-bestuur weten we dat
het lot inderdaad heeft beslist. Ad de Haas was bevriend met voorzitter A.
de Bruyne en daardoor op de hoogte van de gebeurtenissen. "Gelukkig hoefde
ik niet te loten. Dat moet verschrikkelijk zijn geweest." Ajacied Rob Been
schiet in de lach als hij terugdenkt aan de selectie van zijn bestuur.
"Arie en Jan de Wit zijn de zoons van onze toenmalige secretaris. Nee, dat
is geen loting geweest. Dat weet ik heel zeker."
Na de keuze ging het bestuur op bezoek bij de ouders om te vragen of ze hun
zoon naar Heerenveen wilden sturen. Dat was bijzonder emotioneel omdat het
onbekend was waar hun kind terecht kwam. Indien ze toestemden mochten de
jongens niet weten wanneer ze zouden weggaan, aangezien het moment van
vertrek onbekend moest blijven. De Haas: "Dus dan stond hun koffertje
veertien dagen klaar, en wisten ze 's ochtends nog niet dat ze die nacht
weg zouden gaan. De voorbereidingen is door een heel klein groepje mensen
gedaan."
Ajax, Blauw Wit en DWS gingen per boot naar Lemmer. DWS-er Jan Hobby zat
bij de eerste groep, die om elf uur 's avonds met begeleiding zou
vertrekken vanaf de De Ruyterkade bij het IJ. Iedereen was gespannen: het
was gevaarlijk op de Zuiderzee en niemand wist of de schipper 'goed' of
'fout' was. Vlak voor vertrek braken opeens luchtgevechten uit met
afweergeschut en lichtkogels, zodat deze poging werd afgelast. Hobby: "We
moesten toen de hele nacht in de boot blijven zitten terwijl boven ons werd
gevochten. Pas 's ochtends gingen we weer naar huis."
De tweede poging, omstreeks oktober 1944, slaagde wel. "Iedereen om mij
heen was stil", herinnert Hobby zich. "Je was al blij als je kon staan,
want we hadden allemaal honger. Het was echt doodstil: alleen het
'toeftoef' van de moter en het klotsen van het water." Na een nacht varen
kwam de boot aan in Lemmer, vanwaar de reis naar Heerenveen ging. De
begeleiding keerde na een zware tocht huiswaarts met de mededeling dat nog
vier keer vier voetballertjes waren uitgenodigd.
De Volewijckers uit Amsterdam-Noord reisden zelfstandig met een
vrachtwagen. De pont naar het centrum was er immers niet meer en daardoor
konden ze de De Ruyterkade niet bereiken. Van der Mast: "Voor de
Afsluitdijk moesten we allemaal in de greppel omdat er vliegtuigen
aankwamen. Later stapten Duitsers in met hun fiets en reden met ons mee. We
werden in Heerenveen opgevangen met een bord pap, dat we meteen verslonden."
Vocht arriveerde later als vervanger van een teamgenoot met heimwee. "Toen
ik aankwam weet ik nog goed dat al die jongens daar er heel anders
uitzagen. Al die jeugd met die witte kop en witte haren. En dan dat
taaltje! Toen ik de eerste ochtend ontbijt op bed kreeg zei mijn
pleegmoeder 'Tink der om, do moatst net yn dyn bêd knoeie'. Later hoorde ik
dat ze zei dat ik niet moest knoeien."
De gastvrijheid was enorm, ondanks enkele aanpassingsproblemen. Jongens uit
een atheïstisch gezin hadden wel eens moeilijkheden bij een christelijke
familie, sommige pleegouders waren te oud en met het eten ging het ook wel
eens mis. Vooral in de eerste dagen waren de Amsterdammers niets gewend.
Hobby: "Nadat ik een lepel jus had gehad zat ik meteen met diarree op de
WC, omdat dat voor mij veel te vet was. En één keer ben ik weggelopen van
tafel, omdat pleegbroer Piet klaagde tijdens de maaltijd. 'Wat is dat nou
voor eten?' riep hij en toen werd ik zo boos dat ik opstond. Zijn moeder
zei toen tegen Piet dat hij eens met mij moest praten, omdat ik wist wat
het was om honger te hebben."
Nadat de Amsterdammers weer op krachten waren gekomen werd er veel
gevoetbald, al was het alleen maar omdat ze logeerden bij Heerenveense
spelers. Bertus Moehring van Blauw Wit verbleef bijvoorbeeld bij Jan
Lenstra, de broer van Abe. Vocht speelde regelmatig met Abe: "Er was een
stuk groen met aan het eind een heg met water erachter, maar dat wisten wij
niet. Als Abe de bal eroverheen schoot, sprongen wij over de heg naar de
bal. Hij lachte zich slap als wij dan de sloot weer uitkwamen."
Er was ook een toernooi met de Amsterdamse clubs en vier Heerenveen-teams.
In april meldde het DWS-bestuur dat "onze jongens zich in de
voetbalcompetitie geducht doen gelden". Heerenveen I had na zeven
wedstrijden net als DWS dertien punten behaald en een beslissingswedstrijd
was noodzakelijk. "In deze wedstrijd sneuvelden onze jongens met 4-1",
schreef DWS teleurgesteld. Ajax behaalde de derde plaats, De Volewijckers
de vierde en Blauw Wit de vijfde.
Naast het voetballen werden ook typische Friese sporten beoefend. Hobby:
"Daar heb ik voor de eerste keer aan slootjespringen gedaan, maar omdat ik
dat niet kon, viel ik meteen in het water. Mijn vrienden zeiden dat ik
gewoon mijn kleren moest uitdoen, en als we terugkwamen van het zoeken naar
kivietseieren waren ze weer droog. Ik leerde daarna al snel over bredere
sloten te springen."
De Friese jongeren zaten overdag op school, terwijl de Amsterdammers
thuisbleven. "We mochten wel", merkt Hobby op, "maar de lessen werden in
het Fries gegeven en dat spraken wij niet." De pleegouders maakten goed
gebruik van de vrije uren van hun gasten en zetten de jongens in voor
klusjes. Vocht weet nog dat hij vaak de ramen schoonmaakte of de koeien
moest melken, wat hij al had geleerd bij de vrienden van zijn ouders op de
boerderij. "Maar het liefst ging ik er vandoor met een bal."
Na de eerste maanden waren de Amsterdammers zo gewend aan hun nieuwe
omstandigheden dat ze weer echte straatschoffies werden. Gastvrouw Anne
Visser: "Toen de Amsterdammertjes geen honger meer hadden, waren ze weer
hondsbrutaal. Zo voerden ze brood aan de dikke ratten die in de sloot
achter de oude hoofdtribune zaten." Eén keer zat de politie achter Hobby en
zijn vrienden aan, maar die staken elke keer via een boot de gracht over om
uit hun handen te blijven. De plaatselijke kranten schreven nogal eens over
de Amsterdamse jeugd die Heerenveen op stelten zette, maar het is nooit uit
de hand gelopen.
Ondanks de vele bezigheden van de Amsterdammers ontstond regelmatig
heimwee. Willem Ysebrand van DWS reisde daarom dwars door de gevaarlijke
IJssellinie naar Amsterdam, waarna Vocht hem verving. Het verlangen naar
huis dreef ook Ajacied Otto Been terug, juist toen zijn broer Rob onderweg
was naar Friesland om hem gezelschap te bieden. De twee hebben elkaar
gekruist zodat Otto in Amsterdam zat en Rob in Friesland.
Vocht herinnert zich nog een 'bepaald soort heimwee'. "Ik heb nooit huilend
in bed gelegen, maar ik vroeg me wel altijd af hoe het thuis zou gaan. Een
telefoon was er niet en brieven kwamen niet of moeilijk aan." Moehring is
er wel enkele keren in geslaagd brieven te sturen naar Amsterdam. "Lieve
vader en moeder", schreef hij op 9 maart 1945, "donderdagmorgen vroeg de 8e
maart heb ik uw brief al ontvangen, deze is dus maar drie dagen onderweg
geweest en dus reuze snel." Zijn ouders werden daarna ingelicht over een
wedstrijd tegen het vierde jeugdelftal van Heerenveen. "We hebben die met
3-2 gewonnen en ik heb ook nog een goal gezet."
Na Bevrijdingsdag keerden de Amsterdammers weer terug. Een grote groep
stapte in een boot, maar het is niet bekend of De Volewijckers net als de
heenreis apart reisden. Van der Mast en Hobby herinneren zich nog wel dat
ze beide per schip naar Amsterdam gingen, maar De Volewijckers meerden aan
bij het Shell-gebouw in Noord en de andere drie clubs bij de De Ruyterkade
in het centrum. "Toen we terugliepen naar de Spaarndammerbuurt, was het één
grote puinhoop", aldus Vocht. "Overal lag vuilnis, omdat dat al tijden niet
meer was opgehaald. Nadat we aankwamen in een buurthuis was het een groot
feest, als je het woord feest tenminste kan gebruiken. Daar hebben we
afscheid van elkaar genomen en gingen we weer naar huis. Het was nog wel
steeds erg moeilijk vlak na de bevrijding. De politie bewaakte de
bakkerskar en mijn vader en broer keerde een keer halfdood terug na een
gevecht om een brood."
Rob Been keerde pas in juli terug en voelde zich niet echt thuis. "Al die
hoge huizen en brede straten benauwden me. Ik kreeg bijna heimwee naar
Heerenveen. Om nou te zeggen dat ik blij was om terug te zijn, nee." Been
heeft nog steeds contact met zijn toenmalige pleegfamilie. Na de begrafenis
van zijn pleegvader nam hij met zijn pleegfamilie de condoléances in
ontvangst, als dank voor de genoten gastvrijheid.
Een week na zijn thuiskomst keerde Hobby met zijn uitgehongerde broer Gijs
terug om hem aan te laten sterken en ook daarna bezocht hij vaak zijn
gastgezin. "Dan nam ik de nachtboot naar Lemmer en stond ik 's ochtends bij
mijn pleegouders. 'Waar kom jij nou vandaan?' riepen ze dan, maar ik was
altijd welkom. Ook hij onderhoudt nog steeds contacten met zijn pleegbroer
en -zus en spreekt inmiddels een aardig mondje Fries.
De vijf voetbalclubs ontmoetten elkaar in de komende maanden veelvuldig.
Eind mei speelden de Amsterdamse verenigingen om het stadskampioenschap.
Deze zes wedstrijden trokken maar liefst 130.000 toeschouwers. Ajax won
alles en was de eerste na-oorlogse Amsterdamse kampioen.
Op 21 en 22 juli 1945 vierde Heerenveen zijn 25-jarig bestaan en
organiseerde een toernooi met de vier Amsterdamse clubs, dat gewonnen werd
door De Volewijckers. Als dank voor de gastvrijheid kregen de Friezen een
tegeltableau aangeboden. De Volewijckers bleef na afloop van het toernooi
in Friesland en bezocht een week lang andere clubs in de omgeving. De
rondrit werd afgesloten met een ere-wedstrijd tegen Heerenveen.
Op 26 augustus bezocht Heerenveen Ajax voor een vriendschappelijke
wedstrijd. De Amsterdammers wonnen, maar ze voelden zich daarover nogal
ongemakkelijk. "Het was volgens de regels en de wetten van het spel
volkomen verdiend", schreef het bestuur, "...maar toch, wij vonden het niet
aardig tegenover de sympathieke Friezen." Ajax won met 10-2.
Het contact verwaterde daarna en Wim Schotanus betreurt dat. "Vooral Ajax
hield er snel mee op, maar goed, dat was toen al een grote club met een
druk programma. Met DWS en De Volewijckers hebben we het langst
uitwisselingen gehad. Toch jammer, want ik heb echt genoten van die
wedstrijden met die jongens. Later kreeg ik vaak kinderen van pleegouders
op bezoek om te vragen hoe het was geweest, mede omdat ik één van de
laatste ben uit die tijd die nog leeft."
In 1995 organiseerde Heerenveen een reünie waar veel Amsterdammers,
inmiddels allemaal zestig jaar oud, heengingen. Vocht: "We kregen daar het
jubileumboek van het 75-jarig bestaan en nog steeds waren ze allemaal zo
gastvrij. Ik ben enkele jaren terug nog met de DWS-junioren naar ze
toegegaan en weer werd ik met open armen ontvangen. Ik werd er gewoon
verlegen van toen. Het is echt een fantastische tijd geweest."
AJAX IN DE JAREN VEERTIG
Op 16 maart 1941 speelde Ajax in Den Haag tegen VUC een belachelijke
wedstrijd. Aan Haagse kant stond de legendarische Bertus de Harder, die
voor rust al twee keer had gescoord. Zijn ploeggenoten troffen verder vier
keer doel en Ajax geen één keer, zodat de Amsterdammers met een 6-0
achterstand gingen rusten. Wat doe je dan als die vijftien minuten zijn
afgelopen? Joop Stoffelen, die 193 keer in het Ajax-shirt speelde, vertelt.
"Ja, toen we het veld opgingen hadden we zo iets van 'We zien wel'. Het
werd 6-1 en we keken elkaar eens aan. Meteen werd het 6-2 en nog steeds
hadden we niet de gedachte dat er iets in zat. Pas bij onze vierde treffer
geloofden we erin. Het was 6-5 toen ik een penalty moest nemen. Aanvoerder
Jan Schubert liep naar mij toe en zei: 'Als je die bal er niet inschiet,
breek ik je poten.' Ik scoorde en het had zelfs nog 6-7 kunnen worden, maar
dat ging net niet door. Het is goed als dit verhaal opgeschreven wordt,
want niemand gelooft mij meer als ik het vertel."
Nog even voor de statistieken: Rinus Bijl (71 competitiewedstrijden) maakte
het eerste Ajax-goal, waarna Erwin van Wijngaarden (163) het geloof weer
een beetje deed oplaaien. Jaap Hordijk (24) scoorde 6-3 en Van Wijngaarden
maakte daarop zijn tweede van de dag. Theo Brokmann jr. (126) verkleinde de
achterstand tot één, waarna Stoffelen dus de 6-6 inschoot. Ajax eindigde
dat seizoen als tweede en VUC als vijfde.
NIEUWJAARSWENSEN
De dagen rond een jaarwisseling lenen zich uitstekend voor een beschouwende
blik en een voorzichtige toekomstvisie. Dat geldt al helemaal in tijden van
maatschappelijke deining en dreigende vooruitzichten, zoals de jaren
dertig. De Rotterdamse voetbalclub Feyenoord bijvoorbeeld werd in deze
periode steeds somberder in zijn nieuwjaarswensen, die jaarlijks op de
voorpagina werden geplaatst van clubblad 'De Feijenoorder'.
Het clubbestuur had zichzelf natuurlijk niet voorgenomen om politieke
uitspraken te doen, maar werd wel dagelijks geconfronteerd met de gevolgen
van de economische crisis en de oplopende internationale spanningen. Leden
verloren hun baan of hadden de leeftijd voor mobilisatie indien een oorlog
zou uitbreken. Dat vinden we terug in de nieuwjaarswensen.
'Wij hopen,' luidde de boodschap in 1934, 'dat 1934 ons de oplossing eens
brengen zal, op dat toch eindelijk, de mens verlost worde van die ellendige
kwaal des tijds, de werkloosheid.'
Een ijdele wens, want in het volgende jaar schreef het bestuur: 'Als wij
goed zien, is de algemene toestand er in 1935 zelfs slechter op geworden,
want de verhoudingen zijn nu zo gespannen als sedert de wereldoorlog niet
gebeurde.'
Waarschijnlijk werd toen dus nog niet verwacht dat een nieuwe wereldoorlog
zou uitbreken, want anders zou de auteur in 1935 gesproken hebben over de E
e r s te Wereldoorlog. Elke sprankje hoop werd in de volgende jaren echter
weggenomen.
'Verre ligt de tijd van ons, waarin werd gesproken van het feit dat een
jaar van rust en genoegens achter ons lag,' concludeerde de schrijver van
de nieuwsjaarsboodschap somber in 1939. De lezer voelt hoe deze woorden als
wrakstukken kolken rond de maalstroom van angst en wanhoop, handen en
voeten geven aan de onzekerheid over de directe toekomst.
Dat maakt de nieuwjaarswens voor 1940 voor de huidige lezer zo wrang, omdat
die weet wat er dat jaar gebeurde in Rotterdam. De schrijver in 1940 begon
realistisch: 'Het nieuwe jaar zal, als er niet spoedig toenadering tot
stand komt, hét oorlogsjaar voor Europa worden.'
En dan zijn wens: 'Laten wij hopen, dat dit onheil tijdig van ons
werelddeel worde afgewend en dat ons land voor het oorlogsrumoer gespaard
blijve.' Vier maanden later werd de stad getroffen door het bombardement,
waarbij geen Feyenoorders om het leven kwamen. Wel zijn veertig leden hun
huis kwijtgeraakt en is de schade enorm.
Het eerste Feyenoord-lid dat als gevolg van de oorlog overleed is een
vijftienjarige jongen uit een lager elftal. In de zomer van 1940 bezweek
deze aan de gevolgen van een Geallieerd bombardement. Uiteindelijk verloren
22 leden en donateurs van Feyenoord het leven in de oorlog.
DYNAMO KIEV
Dynamo Kiev. Sterven voor de eer van het vaderland. 198 bladzijden. Andy
Dougan. Uitgeverij Balans, 2001. f ISBN 90 5018 455 3
Op heel onregelmatige basis wordt een buitenlands voetbalboek in het
Nederlands vertaald. Het laatste bekende werk waarmee dat gebeurde was het
geruchtmakende boek 'De voetbalmafia' van David Yallop. Omdat dit echter op
zo'n korte termijn was gebeurd, werd in de Nederlandse versie een groot
aantal fouten gemaakt. In die val is Uitgeverij Balans niet getrapt met de
vertaling van 'Dynamo - Defending the Honour of Kiev'. De auteur vertelt
het verhaal van de stad Kiev en voetbalclub Dynamo Kiev tijdens de Duitse
bezetting. Een groep voetballers werd gedwongen te spelen tegen een team
van Duitse soldaten. De bezetters verloren weliswaar met 5-3, maar namen
keihard wraak door meervoudige moord. Dit verhaal over de 'Match of Death'
is ook bekend geworden door de hevig geromantiseerde film 'Escape to Victory'.
Al zestig jaar geleden stond Dynamo internationaal bekend als één van de
beste voetbalclubs. Internationale bewondering dwong de club af in de jaren
dertig, toen het nationale elftal van de Oekraïne met acht Dynamo-spelers
op uitnodiging van West-Europese arbeidersorganisaties bijzonder succesvol
door België en Frankrijk toerden. Maar ook in eigen land stond Dynamo Kiev
bijna aan de top. Bijna, want het voetbal uit Moskou was toen nog te goed.
De Duitse inval in de Sowjet-Unie van 1941 was een tijdelijk einde van de
competitie. Met de rest van het land werd Kiev relatief makkelijk veroverd,
omdat Stalin alle waarschuwingen van de Geallieerden had genegeerd. Tijdens
de gevechten rond Kiev speelde het stadion van Dynamo een centrale rol in
de verdediging, mede omdat Dynamo de club is van de politie en het
ministerie van Binnenlandse Zaken.
Tot 1942 was er geen competitie, maar werd toen heringevoerd door de
Duitsers. De nog levende spelers van het vooroorlogse Dynamo werkten
inmiddels onder Jozef Kordik als arbeiders in een bakkerij, samen met een
groot aantal andere sporters. Het was voor sportfanaat Kordik de ideale
manier om zijn helden om zich heen te hebben om daarover op te kunnen
scheppen. Op het terrein werd veel getraind en het elftal 'FC Start' werd
opgericht.
In de nieuwe competitie ontmoette Start geen tegenstand van naam. Tot 6
augustus 1942, toen het Duitse Flakelf 'op bezoek kwam'. Diezelfde week
had Start al tegen Flakelf gespeeld, en met 5-1 gewonnen. Dat wilden de
Duitsers vergeten, hoe dan ook. Een speciale scheidsrechter was daarvoor
aangesteld, geheel in SS-uniform, die alle Duitse overtredingen hautain
negeerde. Op de tribunes zaten bewapende Duitsers, die duidelijk maakten
dat de inzet verder reikte dan de eer van de dag. Het was een strijd tussen
de hoogwaardige Ariërs tegen een minderwaardig volk.
Het werd 5-3, met een 3-1 ruststand, maar deze uitslag was nog niet eens de
grootste vernedering. Daarvoor was de jonge verdediger Klimenko
verantwoordelijk die iedereen passeerde tot in de Duitse doelmond. Toen
draaide hij zich achter de bal, met zijn lichaam in het goal, en schoot de
bal terug het veld in. De Duitse afgang was compleet, de inwoners van Kiev
leefden even in een roes. De spelers zelf begrepen echter de consequenties
van strafmaatregelen. Vier spelers werden vermoord door de Duitsers:
Korotkych, Troesevitsj, Koezmenko en Klimenko, die de bal niet in het goal
wilde schieten.
Dit verhaal was bekend buiten Kiev, maar zat vol fouten. Door drie jaar
onderzoek en veel hulp vanuit Kiev heeft Dougan zijn reconstructie op
adembenemende wijze vastgelegd. Daarbij werd gebruik gemaakt van nog
onbekende documenten, interviews en literatuur met nieuwe informatie. Het
heeft een boek opgeleverd, dat zeldzaam is in zijn klasse: niet alleen
weten we nu meer van het voetbal in Kiev, maar vooral van de stad en de
geleden ontberingen. Het is een verhaal geworden over mensen.
BEN BRIL: OORLOG BEGIN EN EINDE VAN BOKSLOOPBAAN
De bokscarrière van Ben (Bennie) Bril valt uiteen in twee periodes: als
speler en als scheidsrechter. Oorzaak van deze waterdichte scheiding is de
Tweede Wereldoorlog, als de joodse bokser 182 familieleden verliest en hij
samen met zijn vrouw het concentratiekamp in Bergen-Belsen overleeft. De
tienvoudig nationale kampioen weltergewicht wordt vanaf 1947
scheidsrechter. Hij maakt naam als 's werelds beste arbiter. Als speler
maakt hij één keer de Olympische Spelen mee en als scheidsrechter drie. Een
onverbeterlijke idealist, arrogant, technisch hoogbegaafd, rechtvaardig-
iedereen wist wel iets over hem te zeggen. "Het is gewoon allemaal een
kwestie van mentaliteit, van zelfbeheersing," zei Bril zelf.
Bril is geboren in 1912 op de Valkenburgerstraat 108, als zesde en één na
laatste kind. Wat nu de aan- en afvoer is voor de IJ-tunnel, was toen een
straatje in het hart van het armere gedeelte van de Jodenbuurt. Terwijl
vader Bril handelde in vis, speelden de kinderen op straat. De broers van
Ben speelden voetbal, worstelden en boksten. Op elfjarige leeftijd neemt
zijn oudste broer hem mee naar De Jonge Bokser in de Wagenstraat, waar Ben
besluit zich op deze sport te werpen. Omdat hij zelf te weinig geld heeft
om de contributie te betalen, zegt zijn broer toe het wekelijkse kwartje te
betalen. Ben moet dan wel beloven geen enkele training te missen, omdat
deze steun anders onmiddellijk wordt beëindigd.
Gedurende zijn trainingen werkt Bril aan zijn maatschappelijke leven. Op
zeventienjarige leeftijd krijgt hij de verantwoordelijkheid over een
slagerij en broodjeswinkel in de Weesperstraat. In 1930 begint hij zijn
eigen broodjeszaak in de Utrechtsestraat, maar vertrekt in 1931 na
onenigheid met een partner naar Utrecht. Hier opent hij de deuren van zijn
zaak, om in 1972 uit deze branche te stappen.
In 1933 bezoeken twee meisjes, Annie en Celia, de winkel. Annie is vaste
klant, omdat ze smoorverliefd is op de boksende broodjesverkoper. Tot haar
grote schrik ziet ze dat Celia haar grote liefde aan de haak slaat. In 1936
trouwt het stel.
Bril was tijdens zijn huwelijk een grote naam in de bokswereld. Op
vijftienjarige leeftijd bereikt hij de kwartfinales op de Amsterdamse
Olympische Spelen, alhoewel hij te jong is. De organisatoren laten hem toch
toe, omdat zijn zestiende verjaardag, de vereiste leeftijd, tijdens de
Spelen wordt gevierd. Niet geheel onterecht, want al in het jaar daarvoor
behaalt hij zijn eerste nationale titel.
De volgende twee spelen in Los Angeles en Berlijn gaan langs hem heen. Voor
de Verenigde Staten in 1932 wordt hij niet geselecteerd, omdat volgens
officiële lezing de afstand te groot is. Bril: "Later bleek de secretaris
van de boksbond een NSB'er te zijn." Vier jaar later boykot Bril de
'nazi-spelen' in Berlijn, nadat hij in 1935 in Duitsland heeft gebokst.
Daar is hij getuige van de positie van joden, waarna hij zichzelf voorneemt
geen stap meer in Duitsland te zitten zolang de nationaal-socialisten daar
de macht hebben.
In 1940, nog voor de bezetting, ziet Bril hoe de jodenvervolging gestalte
krijgt. "Dames en heren," kondigt hij dat jaar aan als hij in de ring stapt
in Frascati, "hierbij neem ik afscheid van de bokssport." Bril wil niet dat
hij als jood uitgesloten wordt en neemt het heft in eigen hand. Het eerste
gedeelte van de carrière is voorbij.
In 1947 ziet Celia hoe Ben de oorlogsjaren en het verlies van zijn familie
verwerkt en vraagt de Boksbond of haar man de scheidsrechtercursus mag
volgen. Bril stemt uiteindelijk in en bereikt snel de wereldtop. De
doorbraak is op het Europees kampioenschap van 1961, waar hij een goede
indruk maakt. Drie jaar later stapt hij in de ring op de Olympische Spelen
in Tokio.
OLYMPISCHE OORLOG
De vlammen van wereldbranden bereiken ook Olympische gebouwen, zoals
tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1936 deed een groot aantal sporters mee
dat tien jaar later was overleden, hetzij als nazi danwel als
verzetsstrijder. Maar meestal waren het burgerslachtoffers, die bezweken
door het algemene oorlogsleed.
Een opmerkelijk figuur was de Duitse worstelaar Werner Seelenbinder, die in
1936 bij het middenzwaargewicht bij het Grieks-Romeins worstelen als vierde
eindigde. Tijdens zijn reizen was hij ook koerier voor de illegale
Kommunistische Partei Deutschland. Op deze Spelen vervulde hij eveneens
deze funktie tussen de wedstrijden door. In de oorlog zelf vocht hij bij
het communistische verzet, maar werd na arrestatie in 1944 met een groot
aantal anderen geëxecuteerd.
Zijn landgenoot Heinz Brandt daarentegen, die in 1936 goud won bij het
paardrijden, was plaatsvervangend chef van de operationele afdeling van de
generaalsstaf van het leger en direct betrokken bij het beramen van
oorlogstaktieken. Hij werd beroemd toen hij in 1944 per ongeluk een
aktentas wegschoof, waar later een bom in bleek te zitten tegen Hitler.
Brandt raakte bij de explosie zelf zwaar gewond en bezweek na twee dagen
aan zijn verwondingen.
Maar de meeste waren natuurlijk niet zo hoog in rang. De Pool Wladyslaw
Karas werd meteen na de inval in zijn land vermoord door de Duitsers. Of de
Hongaar Endre Karbos, die op 4 november 1944 in de tram in Boedapest zat
toen de nazi's de Margarethabrug opbliezen om de Geallieerden te blokkeren.
Daar de tram toen over de brug reed, werd hij samen met andere passagiers
gedood.