OORLOG EN SPORT

In de loop der jaren heeft sporthistoricus Jurryt van de Vooren regelmatig artikelen geschreven over de oorlog en sportbeoefening. Hier een bloemlezing uit die stukken.
Dit oorlogsdossier verschijnt als speciale bijlage van de site 'Uit Het Veld', nieuwsbrief over sportgeschiedenis. Dit gratis e-zine verschijnt belachelijk regelmatig en heeft zo'n 600 abonnees. 'Uit Het Veld' wordt gemaakt door Jurryt van de Vooren, sporthistoricus. Lid worden kan via jurryt@xs4all.nl onder vermelding van 'nieuwsbrief'.

HONGERWINTER IN HEERENVEEN
AJAX IN DE JAREN VEERTIG
NIEUWJAARSWENSEN
DYNAMO KIEV
BEN BRIL
OLYMPISCHE OORLOG


Voetbalsolidariteit tijdens de oorlog
HONGERWINTER IN HEERENVEEN

In de laatste chaotische maanden van de Tweede Wereldoorlog lag het gehele leven in het Westen stil. De Friese voetbalvereniging Heerenveen nodigde daarop 86 Amsterdamse jonge voetballers uit om naar het noorden te komen. De spelers waren afkomstig van de toenmalige Eerste Klassers Ajax, Blauw Wit, DWS en De Volewijckers. Een reconstructie van opmerkelijke voetbalsolidariteit tijdens de bezettingsjaren.


De Tweede Pinksterdag van 1944, 29 mei, is het hoogtepunt uit de geschiedenis van de Noord-Amsterdamse voetbalclub De Volewijckers. Nadat de vereniging als eerste eindigde in de Eerste Klasse West 1 werd tegen de vier andere afdelingskampioenen van het land gestreden om de nationale titel. Op deze Pinksterdag speelde De Volewijckers tegen Heerenveen en een gelijkspel was voldoende voor het kampioenschap. De belangstelling voor deze wedstrijd was ondanks de oorlogsproblemen groot en hectische taferelen speelden zich af om één van de 30.000 beschikbare kaartjes te bemachtigen. Ph. K. Corstens, toenmalig bestuurslid van De Volewijckers, had de drukte met verbazing aangezien: "Bepaalde levensmiddelen zijn moeilijk te krijgen. De mensen gaan echter niet naar de Beemster voor zichzelf, maar louter met de bedoeling om de daar verkregen groenten en aardappelen te ruilen voor ... kaartjes."
Voor de aftrap dromden de mensen samen bij het stadion om via zwarthandelaren alsnog een kaartje te bemachtigen. Forse prijzen werden betaald, maar de politie greep onverbiddelijk in en arresteerde 150 verkopers. De agenten deelden de in beslag genomen toegangsbewijzen gratis uit aan de omstanders.
Onder de toeschouwers zaten veel ondergedoken mannen, die deportatie of dwangarbeid trachtten te ontlopen. Eén van hen was Volewijcker Tip de Bruin en hij weet nog precies hoe zijn entree was. "Bij de ingang van het stadion stonden leden van de NSB en de 'Grüne Polizei' en daar moesten wij langs. Ik liep in het midden van de massa om onopgemerkt binnen te komen. Wat moest ik dan? Ik was blij als ik één keer in de twee weken weer even onder de mensen was." Een uitgelaten publiek was die middag getuige van een 4-1 overwinning voor de Amsterdammers, zodat het feest kon beginnen.
DWS kwam dat jaar uit in de poule van De Volewijckers en had een vierde plaats bereikt met 20 punten uit achttien wedstrijden. Ajax was dat jaar niet verder gekomen dan de tweede plaats achter het Haagse VUC in de Eerste Klasse West 2, de andere competitie in het Westen. Op 30 januari 1944 had Ajax de Hagenezen nog wel verslagen met 8-0, maar dat gebeurde in een dreigende sfeer. Gedurende de hele wedstrijd klonk het gedreun van Geallieerde vliegtuigen die op weg waren naar Duitsland.
Blauw Wit speelde in dezelfde afdeling als Ajax. Het had een middelmatig jaar achter de rug: na achttien wedstrijden had het 19 punten verzameld en eindigde het op de zesde plaats met een iets slechter doelsaldo dan Feyenoord. In de aanloop naar het seizoen 1944-1945 werd met optimisme vooruitgekeken. Voorzitter Douwe Wagenaar van De Volewijckers schreef in het kampioensnummer dat hard werd gewerkt aan de bouw van een stadion voor 16.000 mensen, een restauratiezaal en een ruimte voor indoortraining. Sportverslaggever Kick Geudeker, tevens medewerker van het illegale Parool, bezocht op 3 september de finale van de Amsterdamse AROL-beker en sprak met omstanders over het tijdstip van de eerste interland in bevrijdingstijd. "Als de tanks een beetje snel aanrijden", meende een toeschouwer, "kunnen we misschien volgende week al tegen de Engelsen voetballen." Twee dagen later was het 'Dolle Dinsdag' en op 7 september verbood de bezetter alle sportaktviteiten in de open lucht. Het voetballeven boven de rivieren zou tot het einde van de oorlog stilliggen.

De spoorwegstaking, bombardementen, gevechtshandelingen en plunderende Duitsers legden het leven in het Westen lam. In de steden ontstond een voedseltekort, dat dramatische omvang kreeg na het invallen van de strenge winter. De voetballers in Amsterdam leden er zwaar onder. Henk Vocht was in 1944 een jongen van dertien jaar oud, en speelde toen twee jaar bij DWS. "Wij hadden het thuis relatief goed, omdat we vrienden hadden op een boerderij. Dat betekende natuurlijk niet dat we niets in de gaten hadden. Als je iemand onderweg zag naar een begraafplaats met een klein kartonnen doosje op zijn schouder, wist je wel wat er aan de hand was. De doden vielen op straat."
De rampzalige berichten over de toestand in Amsterdam bereikten voetbalclub Heerenveen, waar clubsecretaris en verzetsman Floor Féléus meteen besloot hulp te bieden. Hij organiseerde een bijeenkomst die bezocht werd door onder andere voorzitter Hendrik Huisman, clublid Germ Scheper en zakenman Joop Overdiep. Wim Schotanus dreef in Heerenveen een boekhandel, werkte voor de radio en was zijdelings betrokken bij deze gesprekken. "Ik had het te druk met mijn werk, zodat ik niet veel heb kunnen doen. Wel wist ik wat er gebeurde gedurende de voorbereidingen. Joop Overdiep zette bijvoorbeeld erg veel op touw, en gebruikte zijn contacten in de zakenwereld om het een en ander te regelen. Hij handelde veel met Amsterdammers, en dat is waarschijnlijk de reden geweest dat de Eerste Klassers uit de hoofdstad werden benaderd en niet uit Rotterdam of Den Haag. Het had dus niet veel te maken met de contacten uit de voetbalwereld. Maar welke jongens het ook waren, we deden het uit menselijke betrokkenheid."
De brieven van Heerenveen naar de Amsterdamse verenigingen zijn hoogstwaarschijnlijk ook bezorgd via de zakenkring van Overdiep. De invitatie bereikte uiteindelijk de Eerste Klassers en was daar een aangename verrassing. Het DWS-bestuur schreef vol lof over het aanbod om van elke club vijftien jongens op te vangen: "Beste mensen uit Heerenveen, jullie hebt prachtig werk gedaan. Niet medelijdend hoofdschuddend 'gekletst' over die arme Amsterdammertjes, maar jullie hebt iets gedaan, waarvoor wij jullie ten hoogste dankbaar zijn."
Door de slechte omstandigheden waren bij alle clubs meer dan vijftien jongens die in aanmerking kwamen. Jan Smit van De Volewijckers werd bijvoorbeeld gepasseerd, waar zijn sportvriend Joop van der Mast wel meemocht. Het is vermoedelijk een loting geweest die bepaalde dat Van der Mast meemocht en zijn vriend achterbleef. Van het DWS-bestuur weten we dat het lot inderdaad heeft beslist. Ad de Haas was bevriend met voorzitter A. de Bruyne en daardoor op de hoogte van de gebeurtenissen. "Gelukkig hoefde ik niet te loten. Dat moet verschrikkelijk zijn geweest." Ajacied Rob Been schiet in de lach als hij terugdenkt aan de selectie van zijn bestuur.
"Arie en Jan de Wit zijn de zoons van onze toenmalige secretaris. Nee, dat is geen loting geweest. Dat weet ik heel zeker."
Na de keuze ging het bestuur op bezoek bij de ouders om te vragen of ze hun zoon naar Heerenveen wilden sturen. Dat was bijzonder emotioneel omdat het onbekend was waar hun kind terecht kwam. Indien ze toestemden mochten de jongens niet weten wanneer ze zouden weggaan, aangezien het moment van vertrek onbekend moest blijven. De Haas: "Dus dan stond hun koffertje veertien dagen klaar, en wisten ze 's ochtends nog niet dat ze die nacht weg zouden gaan. De voorbereidingen is door een heel klein groepje mensen gedaan."
Ajax, Blauw Wit en DWS gingen per boot naar Lemmer. DWS-er Jan Hobby zat bij de eerste groep, die om elf uur 's avonds met begeleiding zou vertrekken vanaf de De Ruyterkade bij het IJ. Iedereen was gespannen: het was gevaarlijk op de Zuiderzee en niemand wist of de schipper 'goed' of 'fout' was. Vlak voor vertrek braken opeens luchtgevechten uit met afweergeschut en lichtkogels, zodat deze poging werd afgelast. Hobby: "We moesten toen de hele nacht in de boot blijven zitten terwijl boven ons werd gevochten. Pas 's ochtends gingen we weer naar huis."
De tweede poging, omstreeks oktober 1944, slaagde wel. "Iedereen om mij heen was stil", herinnert Hobby zich. "Je was al blij als je kon staan, want we hadden allemaal honger. Het was echt doodstil: alleen het 'toeftoef' van de moter en het klotsen van het water." Na een nacht varen kwam de boot aan in Lemmer, vanwaar de reis naar Heerenveen ging. De begeleiding keerde na een zware tocht huiswaarts met de mededeling dat nog vier keer vier voetballertjes waren uitgenodigd.
De Volewijckers uit Amsterdam-Noord reisden zelfstandig met een vrachtwagen. De pont naar het centrum was er immers niet meer en daardoor konden ze de De Ruyterkade niet bereiken. Van der Mast: "Voor de Afsluitdijk moesten we allemaal in de greppel omdat er vliegtuigen aankwamen. Later stapten Duitsers in met hun fiets en reden met ons mee. We werden in Heerenveen opgevangen met een bord pap, dat we meteen verslonden."
Vocht arriveerde later als vervanger van een teamgenoot met heimwee. "Toen ik aankwam weet ik nog goed dat al die jongens daar er heel anders uitzagen. Al die jeugd met die witte kop en witte haren. En dan dat taaltje! Toen ik de eerste ochtend ontbijt op bed kreeg zei mijn pleegmoeder 'Tink der om, do moatst net yn dyn bêd knoeie'. Later hoorde ik dat ze zei dat ik niet moest knoeien."
De gastvrijheid was enorm, ondanks enkele aanpassingsproblemen. Jongens uit een atheïstisch gezin hadden wel eens moeilijkheden bij een christelijke familie, sommige pleegouders waren te oud en met het eten ging het ook wel eens mis. Vooral in de eerste dagen waren de Amsterdammers niets gewend. Hobby: "Nadat ik een lepel jus had gehad zat ik meteen met diarree op de WC, omdat dat voor mij veel te vet was. En één keer ben ik weggelopen van tafel, omdat pleegbroer Piet klaagde tijdens de maaltijd. 'Wat is dat nou voor eten?' riep hij en toen werd ik zo boos dat ik opstond. Zijn moeder zei toen tegen Piet dat hij eens met mij moest praten, omdat ik wist wat het was om honger te hebben."
Nadat de Amsterdammers weer op krachten waren gekomen werd er veel gevoetbald, al was het alleen maar omdat ze logeerden bij Heerenveense spelers. Bertus Moehring van Blauw Wit verbleef bijvoorbeeld bij Jan Lenstra, de broer van Abe. Vocht speelde regelmatig met Abe: "Er was een stuk groen met aan het eind een heg met water erachter, maar dat wisten wij niet. Als Abe de bal eroverheen schoot, sprongen wij over de heg naar de bal. Hij lachte zich slap als wij dan de sloot weer uitkwamen."
Er was ook een toernooi met de Amsterdamse clubs en vier Heerenveen-teams. In april meldde het DWS-bestuur dat "onze jongens zich in de voetbalcompetitie geducht doen gelden". Heerenveen I had na zeven wedstrijden net als DWS dertien punten behaald en een beslissingswedstrijd was noodzakelijk. "In deze wedstrijd sneuvelden onze jongens met 4-1", schreef DWS teleurgesteld. Ajax behaalde de derde plaats, De Volewijckers de vierde en Blauw Wit de vijfde.
Naast het voetballen werden ook typische Friese sporten beoefend. Hobby: "Daar heb ik voor de eerste keer aan slootjespringen gedaan, maar omdat ik dat niet kon, viel ik meteen in het water. Mijn vrienden zeiden dat ik gewoon mijn kleren moest uitdoen, en als we terugkwamen van het zoeken naar kivietseieren waren ze weer droog. Ik leerde daarna al snel over bredere sloten te springen."
De Friese jongeren zaten overdag op school, terwijl de Amsterdammers thuisbleven. "We mochten wel", merkt Hobby op, "maar de lessen werden in het Fries gegeven en dat spraken wij niet." De pleegouders maakten goed gebruik van de vrije uren van hun gasten en zetten de jongens in voor klusjes. Vocht weet nog dat hij vaak de ramen schoonmaakte of de koeien moest melken, wat hij al had geleerd bij de vrienden van zijn ouders op de boerderij. "Maar het liefst ging ik er vandoor met een bal."
Na de eerste maanden waren de Amsterdammers zo gewend aan hun nieuwe omstandigheden dat ze weer echte straatschoffies werden. Gastvrouw Anne Visser: "Toen de Amsterdammertjes geen honger meer hadden, waren ze weer hondsbrutaal. Zo voerden ze brood aan de dikke ratten die in de sloot achter de oude hoofdtribune zaten." Eén keer zat de politie achter Hobby en zijn vrienden aan, maar die staken elke keer via een boot de gracht over om uit hun handen te blijven. De plaatselijke kranten schreven nogal eens over de Amsterdamse jeugd die Heerenveen op stelten zette, maar het is nooit uit de hand gelopen.
Ondanks de vele bezigheden van de Amsterdammers ontstond regelmatig heimwee. Willem Ysebrand van DWS reisde daarom dwars door de gevaarlijke IJssellinie naar Amsterdam, waarna Vocht hem verving. Het verlangen naar huis dreef ook Ajacied Otto Been terug, juist toen zijn broer Rob onderweg was naar Friesland om hem gezelschap te bieden. De twee hebben elkaar gekruist zodat Otto in Amsterdam zat en Rob in Friesland.
Vocht herinnert zich nog een 'bepaald soort heimwee'. "Ik heb nooit huilend in bed gelegen, maar ik vroeg me wel altijd af hoe het thuis zou gaan. Een telefoon was er niet en brieven kwamen niet of moeilijk aan." Moehring is er wel enkele keren in geslaagd brieven te sturen naar Amsterdam. "Lieve vader en moeder", schreef hij op 9 maart 1945, "donderdagmorgen vroeg de 8e maart heb ik uw brief al ontvangen, deze is dus maar drie dagen onderweg geweest en dus reuze snel." Zijn ouders werden daarna ingelicht over een wedstrijd tegen het vierde jeugdelftal van Heerenveen. "We hebben die met 3-2 gewonnen en ik heb ook nog een goal gezet."

Na Bevrijdingsdag keerden de Amsterdammers weer terug. Een grote groep stapte in een boot, maar het is niet bekend of De Volewijckers net als de heenreis apart reisden. Van der Mast en Hobby herinneren zich nog wel dat ze beide per schip naar Amsterdam gingen, maar De Volewijckers meerden aan bij het Shell-gebouw in Noord en de andere drie clubs bij de De Ruyterkade in het centrum. "Toen we terugliepen naar de Spaarndammerbuurt, was het één grote puinhoop", aldus Vocht. "Overal lag vuilnis, omdat dat al tijden niet meer was opgehaald. Nadat we aankwamen in een buurthuis was het een groot feest, als je het woord feest tenminste kan gebruiken. Daar hebben we afscheid van elkaar genomen en gingen we weer naar huis. Het was nog wel steeds erg moeilijk vlak na de bevrijding. De politie bewaakte de bakkerskar en mijn vader en broer keerde een keer halfdood terug na een gevecht om een brood."
Rob Been keerde pas in juli terug en voelde zich niet echt thuis. "Al die hoge huizen en brede straten benauwden me. Ik kreeg bijna heimwee naar Heerenveen. Om nou te zeggen dat ik blij was om terug te zijn, nee." Been heeft nog steeds contact met zijn toenmalige pleegfamilie. Na de begrafenis van zijn pleegvader nam hij met zijn pleegfamilie de condoléances in ontvangst, als dank voor de genoten gastvrijheid.
Een week na zijn thuiskomst keerde Hobby met zijn uitgehongerde broer Gijs terug om hem aan te laten sterken en ook daarna bezocht hij vaak zijn gastgezin. "Dan nam ik de nachtboot naar Lemmer en stond ik 's ochtends bij mijn pleegouders. 'Waar kom jij nou vandaan?' riepen ze dan, maar ik was altijd welkom. Ook hij onderhoudt nog steeds contacten met zijn pleegbroer en -zus en spreekt inmiddels een aardig mondje Fries.

De vijf voetbalclubs ontmoetten elkaar in de komende maanden veelvuldig. Eind mei speelden de Amsterdamse verenigingen om het stadskampioenschap. Deze zes wedstrijden trokken maar liefst 130.000 toeschouwers. Ajax won alles en was de eerste na-oorlogse Amsterdamse kampioen.
Op 21 en 22 juli 1945 vierde Heerenveen zijn 25-jarig bestaan en organiseerde een toernooi met de vier Amsterdamse clubs, dat gewonnen werd door De Volewijckers. Als dank voor de gastvrijheid kregen de Friezen een tegeltableau aangeboden. De Volewijckers bleef na afloop van het toernooi in Friesland en bezocht een week lang andere clubs in de omgeving. De rondrit werd afgesloten met een ere-wedstrijd tegen Heerenveen.
Op 26 augustus bezocht Heerenveen Ajax voor een vriendschappelijke wedstrijd. De Amsterdammers wonnen, maar ze voelden zich daarover nogal ongemakkelijk. "Het was volgens de regels en de wetten van het spel volkomen verdiend", schreef het bestuur, "...maar toch, wij vonden het niet aardig tegenover de sympathieke Friezen." Ajax won met 10-2.
Het contact verwaterde daarna en Wim Schotanus betreurt dat. "Vooral Ajax hield er snel mee op, maar goed, dat was toen al een grote club met een druk programma. Met DWS en De Volewijckers hebben we het langst uitwisselingen gehad. Toch jammer, want ik heb echt genoten van die wedstrijden met die jongens. Later kreeg ik vaak kinderen van pleegouders op bezoek om te vragen hoe het was geweest, mede omdat ik één van de laatste ben uit die tijd die nog leeft."
In 1995 organiseerde Heerenveen een reünie waar veel Amsterdammers, inmiddels allemaal zestig jaar oud, heengingen. Vocht: "We kregen daar het jubileumboek van het 75-jarig bestaan en nog steeds waren ze allemaal zo gastvrij. Ik ben enkele jaren terug nog met de DWS-junioren naar ze toegegaan en weer werd ik met open armen ontvangen. Ik werd er gewoon verlegen van toen. Het is echt een fantastische tijd geweest."


AJAX IN DE JAREN VEERTIG

Op 16 maart 1941 speelde Ajax in Den Haag tegen VUC een belachelijke wedstrijd. Aan Haagse kant stond de legendarische Bertus de Harder, die voor rust al twee keer had gescoord. Zijn ploeggenoten troffen verder vier keer doel en Ajax geen één keer, zodat de Amsterdammers met een 6-0 achterstand gingen rusten. Wat doe je dan als die vijftien minuten zijn afgelopen? Joop Stoffelen, die 193 keer in het Ajax-shirt speelde, vertelt. "Ja, toen we het veld opgingen hadden we zo iets van 'We zien wel'. Het werd 6-1 en we keken elkaar eens aan. Meteen werd het 6-2 en nog steeds hadden we niet de gedachte dat er iets in zat. Pas bij onze vierde treffer geloofden we erin. Het was 6-5 toen ik een penalty moest nemen. Aanvoerder Jan Schubert liep naar mij toe en zei: 'Als je die bal er niet inschiet, breek ik je poten.' Ik scoorde en het had zelfs nog 6-7 kunnen worden, maar dat ging net niet door. Het is goed als dit verhaal opgeschreven wordt, want niemand gelooft mij meer als ik het vertel."
Nog even voor de statistieken: Rinus Bijl (71 competitiewedstrijden) maakte het eerste Ajax-goal, waarna Erwin van Wijngaarden (163) het geloof weer een beetje deed oplaaien. Jaap Hordijk (24) scoorde 6-3 en Van Wijngaarden maakte daarop zijn tweede van de dag. Theo Brokmann jr. (126) verkleinde de achterstand tot één, waarna Stoffelen dus de 6-6 inschoot. Ajax eindigde dat seizoen als tweede en VUC als vijfde.


NIEUWJAARSWENSEN

De dagen rond een jaarwisseling lenen zich uitstekend voor een beschouwende blik en een voorzichtige toekomstvisie. Dat geldt al helemaal in tijden van maatschappelijke deining en dreigende vooruitzichten, zoals de jaren dertig. De Rotterdamse voetbalclub Feyenoord bijvoorbeeld werd in deze periode steeds somberder in zijn nieuwjaarswensen, die jaarlijks op de voorpagina werden geplaatst van clubblad 'De Feijenoorder'.
Het clubbestuur had zichzelf natuurlijk niet voorgenomen om politieke uitspraken te doen, maar werd wel dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de economische crisis en de oplopende internationale spanningen. Leden verloren hun baan of hadden de leeftijd voor mobilisatie indien een oorlog zou uitbreken. Dat vinden we terug in de nieuwjaarswensen.
'Wij hopen,' luidde de boodschap in 1934, 'dat 1934 ons de oplossing eens brengen zal, op dat toch eindelijk, de mens verlost worde van die ellendige kwaal des tijds, de werkloosheid.'
Een ijdele wens, want in het volgende jaar schreef het bestuur: 'Als wij goed zien, is de algemene toestand er in 1935 zelfs slechter op geworden, want de verhoudingen zijn nu zo gespannen als sedert de wereldoorlog niet gebeurde.'
Waarschijnlijk werd toen dus nog niet verwacht dat een nieuwe wereldoorlog zou uitbreken, want anders zou de auteur in 1935 gesproken hebben over de E e r s te Wereldoorlog. Elke sprankje hoop werd in de volgende jaren echter weggenomen.
'Verre ligt de tijd van ons, waarin werd gesproken van het feit dat een jaar van rust en genoegens achter ons lag,' concludeerde de schrijver van de nieuwsjaarsboodschap somber in 1939. De lezer voelt hoe deze woorden als wrakstukken kolken rond de maalstroom van angst en wanhoop, handen en voeten geven aan de onzekerheid over de directe toekomst.
Dat maakt de nieuwjaarswens voor 1940 voor de huidige lezer zo wrang, omdat die weet wat er dat jaar gebeurde in Rotterdam. De schrijver in 1940 begon realistisch: 'Het nieuwe jaar zal, als er niet spoedig toenadering tot stand komt, hét oorlogsjaar voor Europa worden.'
En dan zijn wens: 'Laten wij hopen, dat dit onheil tijdig van ons werelddeel worde afgewend en dat ons land voor het oorlogsrumoer gespaard blijve.' Vier maanden later werd de stad getroffen door het bombardement, waarbij geen Feyenoorders om het leven kwamen. Wel zijn veertig leden hun huis kwijtgeraakt en is de schade enorm.
Het eerste Feyenoord-lid dat als gevolg van de oorlog overleed is een vijftienjarige jongen uit een lager elftal. In de zomer van 1940 bezweek deze aan de gevolgen van een Geallieerd bombardement. Uiteindelijk verloren 22 leden en donateurs van Feyenoord het leven in de oorlog.


DYNAMO KIEV
Dynamo Kiev. Sterven voor de eer van het vaderland. 198 bladzijden. Andy Dougan. Uitgeverij Balans, 2001. f ISBN 90 5018 455 3

Op heel onregelmatige basis wordt een buitenlands voetbalboek in het Nederlands vertaald. Het laatste bekende werk waarmee dat gebeurde was het geruchtmakende boek 'De voetbalmafia' van David Yallop. Omdat dit echter op zo'n korte termijn was gebeurd, werd in de Nederlandse versie een groot aantal fouten gemaakt. In die val is Uitgeverij Balans niet getrapt met de vertaling van 'Dynamo - Defending the Honour of Kiev'. De auteur vertelt het verhaal van de stad Kiev en voetbalclub Dynamo Kiev tijdens de Duitse bezetting. Een groep voetballers werd gedwongen te spelen tegen een team van Duitse soldaten. De bezetters verloren weliswaar met 5-3, maar namen keihard wraak door meervoudige moord. Dit verhaal over de 'Match of Death' is ook bekend geworden door de hevig geromantiseerde film 'Escape to Victory'.

Al zestig jaar geleden stond Dynamo internationaal bekend als één van de beste voetbalclubs. Internationale bewondering dwong de club af in de jaren dertig, toen het nationale elftal van de Oekraïne met acht Dynamo-spelers op uitnodiging van West-Europese arbeidersorganisaties bijzonder succesvol door België en Frankrijk toerden. Maar ook in eigen land stond Dynamo Kiev bijna aan de top. Bijna, want het voetbal uit Moskou was toen nog te goed. De Duitse inval in de Sowjet-Unie van 1941 was een tijdelijk einde van de competitie. Met de rest van het land werd Kiev relatief makkelijk veroverd, omdat Stalin alle waarschuwingen van de Geallieerden had genegeerd. Tijdens de gevechten rond Kiev speelde het stadion van Dynamo een centrale rol in de verdediging, mede omdat Dynamo de club is van de politie en het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Tot 1942 was er geen competitie, maar werd toen heringevoerd door de Duitsers. De nog levende spelers van het vooroorlogse Dynamo werkten inmiddels onder Jozef Kordik als arbeiders in een bakkerij, samen met een groot aantal andere sporters. Het was voor sportfanaat Kordik de ideale manier om zijn helden om zich heen te hebben om daarover op te kunnen scheppen. Op het terrein werd veel getraind en het elftal 'FC Start' werd opgericht.
In de nieuwe competitie ontmoette Start geen tegenstand van naam. Tot 6 augustus 1942, toen het Duitse Flakelf 'op bezoek kwam'. Diezelfde week had Start al tegen Flakelf gespeeld, en met 5-1 gewonnen. Dat wilden de Duitsers vergeten, hoe dan ook. Een speciale scheidsrechter was daarvoor aangesteld, geheel in SS-uniform, die alle Duitse overtredingen hautain negeerde. Op de tribunes zaten bewapende Duitsers, die duidelijk maakten dat de inzet verder reikte dan de eer van de dag. Het was een strijd tussen de hoogwaardige Ariërs tegen een minderwaardig volk.
Het werd 5-3, met een 3-1 ruststand, maar deze uitslag was nog niet eens de grootste vernedering. Daarvoor was de jonge verdediger Klimenko verantwoordelijk die iedereen passeerde tot in de Duitse doelmond. Toen draaide hij zich achter de bal, met zijn lichaam in het goal, en schoot de bal terug het veld in. De Duitse afgang was compleet, de inwoners van Kiev leefden even in een roes. De spelers zelf begrepen echter de consequenties van strafmaatregelen. Vier spelers werden vermoord door de Duitsers: Korotkych, Troesevitsj, Koezmenko en Klimenko, die de bal niet in het goal wilde schieten.
Dit verhaal was bekend buiten Kiev, maar zat vol fouten. Door drie jaar onderzoek en veel hulp vanuit Kiev heeft Dougan zijn reconstructie op adembenemende wijze vastgelegd. Daarbij werd gebruik gemaakt van nog onbekende documenten, interviews en literatuur met nieuwe informatie. Het heeft een boek opgeleverd, dat zeldzaam is in zijn klasse: niet alleen weten we nu meer van het voetbal in Kiev, maar vooral van de stad en de geleden ontberingen. Het is een verhaal geworden over mensen.


BEN BRIL: OORLOG BEGIN EN EINDE VAN BOKSLOOPBAAN
De bokscarrière van Ben (Bennie) Bril valt uiteen in twee periodes: als speler en als scheidsrechter. Oorzaak van deze waterdichte scheiding is de Tweede Wereldoorlog, als de joodse bokser 182 familieleden verliest en hij samen met zijn vrouw het concentratiekamp in Bergen-Belsen overleeft. De tienvoudig nationale kampioen weltergewicht wordt vanaf 1947 scheidsrechter. Hij maakt naam als 's werelds beste arbiter. Als speler maakt hij één keer de Olympische Spelen mee en als scheidsrechter drie. Een onverbeterlijke idealist, arrogant, technisch hoogbegaafd, rechtvaardig- iedereen wist wel iets over hem te zeggen. "Het is gewoon allemaal een kwestie van mentaliteit, van zelfbeheersing," zei Bril zelf.

Bril is geboren in 1912 op de Valkenburgerstraat 108, als zesde en één na laatste kind. Wat nu de aan- en afvoer is voor de IJ-tunnel, was toen een straatje in het hart van het armere gedeelte van de Jodenbuurt. Terwijl vader Bril handelde in vis, speelden de kinderen op straat. De broers van Ben speelden voetbal, worstelden en boksten. Op elfjarige leeftijd neemt zijn oudste broer hem mee naar De Jonge Bokser in de Wagenstraat, waar Ben besluit zich op deze sport te werpen. Omdat hij zelf te weinig geld heeft om de contributie te betalen, zegt zijn broer toe het wekelijkse kwartje te betalen. Ben moet dan wel beloven geen enkele training te missen, omdat deze steun anders onmiddellijk wordt beëindigd.
Gedurende zijn trainingen werkt Bril aan zijn maatschappelijke leven. Op zeventienjarige leeftijd krijgt hij de verantwoordelijkheid over een slagerij en broodjeswinkel in de Weesperstraat. In 1930 begint hij zijn eigen broodjeszaak in de Utrechtsestraat, maar vertrekt in 1931 na onenigheid met een partner naar Utrecht. Hier opent hij de deuren van zijn zaak, om in 1972 uit deze branche te stappen.
In 1933 bezoeken twee meisjes, Annie en Celia, de winkel. Annie is vaste klant, omdat ze smoorverliefd is op de boksende broodjesverkoper. Tot haar grote schrik ziet ze dat Celia haar grote liefde aan de haak slaat. In 1936 trouwt het stel.
Bril was tijdens zijn huwelijk een grote naam in de bokswereld. Op vijftienjarige leeftijd bereikt hij de kwartfinales op de Amsterdamse Olympische Spelen, alhoewel hij te jong is. De organisatoren laten hem toch toe, omdat zijn zestiende verjaardag, de vereiste leeftijd, tijdens de Spelen wordt gevierd. Niet geheel onterecht, want al in het jaar daarvoor behaalt hij zijn eerste nationale titel.
De volgende twee spelen in Los Angeles en Berlijn gaan langs hem heen. Voor de Verenigde Staten in 1932 wordt hij niet geselecteerd, omdat volgens officiële lezing de afstand te groot is. Bril: "Later bleek de secretaris van de boksbond een NSB'er te zijn." Vier jaar later boykot Bril de 'nazi-spelen' in Berlijn, nadat hij in 1935 in Duitsland heeft gebokst. Daar is hij getuige van de positie van joden, waarna hij zichzelf voorneemt geen stap meer in Duitsland te zitten zolang de nationaal-socialisten daar de macht hebben.
In 1940, nog voor de bezetting, ziet Bril hoe de jodenvervolging gestalte krijgt. "Dames en heren," kondigt hij dat jaar aan als hij in de ring stapt in Frascati, "hierbij neem ik afscheid van de bokssport." Bril wil niet dat hij als jood uitgesloten wordt en neemt het heft in eigen hand. Het eerste gedeelte van de carrière is voorbij.
In 1947 ziet Celia hoe Ben de oorlogsjaren en het verlies van zijn familie verwerkt en vraagt de Boksbond of haar man de scheidsrechtercursus mag volgen. Bril stemt uiteindelijk in en bereikt snel de wereldtop. De doorbraak is op het Europees kampioenschap van 1961, waar hij een goede indruk maakt. Drie jaar later stapt hij in de ring op de Olympische Spelen in Tokio.


OLYMPISCHE OORLOG
De vlammen van wereldbranden bereiken ook Olympische gebouwen, zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1936 deed een groot aantal sporters mee dat tien jaar later was overleden, hetzij als nazi danwel als verzetsstrijder. Maar meestal waren het burgerslachtoffers, die bezweken door het algemene oorlogsleed.
Een opmerkelijk figuur was de Duitse worstelaar Werner Seelenbinder, die in 1936 bij het middenzwaargewicht bij het Grieks-Romeins worstelen als vierde eindigde. Tijdens zijn reizen was hij ook koerier voor de illegale Kommunistische Partei Deutschland. Op deze Spelen vervulde hij eveneens deze funktie tussen de wedstrijden door. In de oorlog zelf vocht hij bij het communistische verzet, maar werd na arrestatie in 1944 met een groot aantal anderen geëxecuteerd.
Zijn landgenoot Heinz Brandt daarentegen, die in 1936 goud won bij het paardrijden, was plaatsvervangend chef van de operationele afdeling van de generaalsstaf van het leger en direct betrokken bij het beramen van oorlogstaktieken. Hij werd beroemd toen hij in 1944 per ongeluk een aktentas wegschoof, waar later een bom in bleek te zitten tegen Hitler. Brandt raakte bij de explosie zelf zwaar gewond en bezweek na twee dagen aan zijn verwondingen.
Maar de meeste waren natuurlijk niet zo hoog in rang. De Pool Wladyslaw Karas werd meteen na de inval in zijn land vermoord door de Duitsers. Of de Hongaar Endre Karbos, die op 4 november 1944 in de tram in Boedapest zat toen de nazi's de Margarethabrug opbliezen om de Geallieerden te blokkeren. Daar de tram toen over de brug reed, werd hij samen met andere passagiers gedood.